“Hunter S. Thompson was in veel opzichten een anarchist,” stelt regisseur Bruce Robinson, “voor Johnny Depp is de schrijver een immens literair talent, iemand die hij koestert als een anarchistische vaderfiguur”. Voor zijn, na ‘Fear and Loathing in Las Vegas’, tweede trip door het universum van zijn vriend koos de acteur voor een eigenzinnig cineast en een onderschatte fictieroman: “THE RUM DIARY is een ode aan Hunter, zijn taal en de manier waarop hij zijn stem vond”.
“Find yourself a trailwind” zegt fotograaf Sala wanneer journalist Paul Kemp, na in een blaze of rage de economische machtshebbers te hebben gedwarsboomd, met een zeilboot Puerto Rico verlaat. Een rugwind voor een schrijver die via een zoektocht naar waarheid een missie en een eigen stem vond. In het begin van THE RUM DIARY is Thompsons alter ego Kemp een bezopen journalist die doelloos rondzwalpt. Eind jaren 50 trekt hij naar Puerto Rico om er voor een als “vividly average” omschreven Engelstalige krant te gaan werken.
Hoofdredacteur Lotterman van dit financieel zinkend schip laat de onverschillige jongeman-met-zonnebril (“Omwille van an eye condition” probeert hij; “Om een kater te verbergen” weet zijn baas) idiote Amerikaanse toeristen interviewen. Kemp ontdekt dat de lokale bevolking geen hoge pet opheeft van al die gringo's. Terecht, getuige projectontwikkelaar Sandersons plan een nabijgelegen eiland om te toveren in een toeristisch paradijs. Kemp laat zich aanvankelijk geamuseerd meetronen maar blijft niet blind voor misbruik en uitbuiting.
Voor Sanderson is vriendin Chenault louter een sierobject en het eiland slechts een middel om snel rijk te worden. “Weet je wat Oscar Wilde ooit zei,” oppert Kemp, “'ze kennen de prijs van alles maar de waarde van niets'”. 'Ze', dat zijn Sanderson en zijn zakenvrienden. De bastards die de journalist met een “mix van inkt en bloed” wil bestrijden. Desnoods dankzij geld gewonnen tijdens met voodoopraktijken gemanipuleerde hanengevechten. Kwestie van “de geur van klootzakken te verdrijven door de geur van waarheid”. We zien Kemp lang alleen maar luisteren en observeren. “Ik heb geen stem, ik weet niet hoe ik als mezelf moet schrijven” klinkt het, tot hij tijdens zijn strijd plotseling als een bezetene begint te schrijven. Kemp heeft zijn stem gevonden, een stem gedrenkt in de woede van Gonzo-journalist Hunter S. Thompson.
Ook al is THE RUM DIARY geen echte prequel van Terry Gilliams Fear and Loathing in Las Vegas – de excentrieke alcoholist Kemp en de waanzinnige drugsverslaafde Raoul Duke zijn verschillende personages – toch peilt Bruce Robinson (Withnail & I, Jennifer Eight) naar de roots van Thompsons tomeloze woede en op hol geslagen fantasie. Omdat we getuige zijn van de geboorte van een persoonlijkheid hanteert Robinson een ingetogen filmstijl en acteert Depp ingehouden.
De acteur zet geen typetje neer maar laat zien hoe een personage 'ontwaakt' terwijl de cineast geen fantasierijke trip serveert maar blootlegt hoe een film zijn stijl en toon zoekt. Zo is er een gekke scène die een hallucinatie visualiseert (met Dali-beelden) maar ook een hilarische waarin Kemp op de schoot van Sala een krakkemikkige auto bestuurt. Terwijl dialooggedreven vergaderzaal- of redactiescènes gevolgd worden door dialoogloze scènes waarin de oerkracht van de lokale bevolking voor dreigend gevaar zorgt. Om maar te zwijgen van de switch van documentair realisme (de hanengevechten) naar romantische stilering (het tragische lot van Chenault).
Kortom, de eenheid in de waanzin van Fear and Loathing in Las Vegas ontbreekt maar dat door middelpuntvliedende krachten overheerste komische avontuur legt op lichtvoetige wijze een link tussen kapitalisme en racisme, tussen een creatieve passie en een gevoel van woede. Tegelijk zijn er genoeg 'gekke' momenten tijdens de transformatie van een onverschillig fuifnummer in een wraakzuchtig strijdjournalist om al een glimp op te vangen van het gestileerd surrealisme van Dr. Hunter S. Thompson.
Ondanks een sporadische voice-over is THE RUM DIARY vooral een objectief, in de derde persoon verteld verhaal en geen subjectief verhaal bekeken vanuit de geest van het hoofdpersonage. De film toont de via engagement lopende weg naar Gonzo journalism – journalistiek zonder objectiviteitsclaim waarbij de reporter deel van het verhaal wordt en stijl primeert op feiten – maar ambieert geen Gonzo cinema. Het blijft Thompson Light. Sober maar genietbaar en grappig. Prettig gestoord. “Ik dacht dat je een zeemeermin was” zegt Kemp tegen Chenault. “Ik ben van Connecticut” is haar droge repliek. Dit is een geestig tochtje door de wonderjaren van Hunter S. Thompson.