In Brian Selznicks geïllustreerd en lijvig kinderboek ‘The Invention of Hugo Cabret’ (2007), ontmoet het weeskind Hugo de filmpionier en illusionist Georges Méliès in een van de hallen van het treinstation van Montparnasse in Parijs. Het jaar 1931.
In zijn introductie schrijft Selznick dat je de aanvang van het verhaal moet voorstellen zoals een film. Hij opent met een close-up van de maan en zoomt vervolgens op Parijs in, het station Montparnasse en uiteindelijk op een jongen die zich een weg baant doorheen de drukte van het station. Zijn naam is Hugo Cabret. Hij windt de klokken van het station op en slaat via de cijfers in de klokken de drukte gade onder hem. Hij heeft ook oog voor een speelgoedwinkel met mechanisch speelgoed. Maar de eigenaar van de winkel beschuldigt Hugo van diefstal en verplicht hem op een dag de zakken leeg te maken. De man ontdekt een boekje met schetsen van een mechanische man: een automaton. Deze automaton, een erfstuk van zijn vader, zal het leven van Hugo grondig veranderen.
In wat volgt brengt Selznick een ode aan de cinema in het algemeen en aan Georges Méliès in het bijzonder. Want de automatische man tekent op een blad papier een maan met een raket in het oog: een iconisch beeld uit Méliès’ Le Voyage dans la Lune (1902). Voor Selznick vormt deze tekening de aanleiding om de avonturen van Hugo aan een stuk filmgeschiedenis te lijmen. De man in de speelgoedwinkel is niemand minder dan Méliès himself. Wat historisch ook klopt. Georges Méliès regisseerde tussen 1896 en 1914 een slordige vijfhonderd eenendertig filmpjes. Méliès’ speciale effecten waren baanbrekend maar tijdens Wereldoorlog I was er nog weinig interesse in zijn fantasierijke verhalen. Méliès’ filmmaatschappij ging failliet en een groot deel van zijn films werd gesmolten om dienst te doen als de hakken voor de laarzen van de soldaten. Andere filmkopieën werden gerecycleerd tot nieuwe pellicule. Wat Méliès aanzette om volledig met film te kappen en in het station van Montparnasse een speelgoedwinkel te openen. Selznick koppelt het tragische verhaal van een beeldend kunstenaar aan dat van de volwassenwording van een weeskind.
Zijn schrijfstijl is meeslepend en de ragfijne, detailrijke tekeningen laten zich lezen als de storyboard van een film. Selznick last tevens fotomateriaal in. Filmstills uit Méliès’ oeuvre staan broederlijk naast deze uit L’arrivée d’un train en gare (1895) van de Lumière-broers en Harold Lloyd die aan de wijzers van een klok hangt in Safety Last (1923). Maar ook de foto van het treinongeluk op 22 oktober 1895, toen een trein zich door de muur van het station van Montparnasse boorde en een verdieping lager te pletter stortte, verlucht de tekst. Dat treinongeluk deed reeds dienst in de strip Maanzieke Mummies (1978), een Isabelle Avondroodavontuur van Jacques Tardi. En komt ook in HUGO voor.
Waarom deze lange inleiding over het boek? Omdat de filmadaptatie alle bovenvermelde elementen bevat. HUGO is een hondstrouwe, zeg maar slaafse, verfilming ervan. Natuurlijk is Martin Scorsese vooral ook een cinefiel pur sang en een gevierd archivaris van filmklassiekers. Hij moet dan ook als een blok voor Selznicks boek gevallen zijn. Selznick brengt een warme hulde aan de cinema. Scorsese doet het hem na op film. Het kind dat vanuit de klokken de gebeurtenissen in het station gadeslaat, is het verhaal van de jonge Scorsese die vanuit zijn vensterraam in Little Italy het straatleven zoals een film bekeek. Zoals Hugo sloop Scorsese filmzalen binnen. Bovendien scherpt Scorsese het cinefiele karakter van HUGO aan. Niet alleen gebruikt hij fragmenten uit de films van de Lumière-broers, Méliès, Lloyd en van The Great Train Robbery (1903). Het personage van de jonge Hugo die achterna wordt gezeten door de politieman van het station, refereert aan Charles Chaplin en diens personage, de vagebond Charlot, die voedsel steelt om te overleven en door de politie wordt achtervolgd. Scorseses regie is voortreffelijk; de 3D-animatie is rijk aan details en verplaatst de toeschouwer naar een sprookjesachtig Parijs.