“Punk, dat is niet romantisch!” – “Alles kan romantisch zijn”. Deze dialoog tekent de jonge liefde tussen de tiener Janek en zijn vriendin Basia. Hij heeft haar net verteld over zijn punkband ATIL, ofwel ‘All That I Love’. Hoewel de songteksten van de jeugdige punkers barsten van de maatschappelijke onvrede en het verzet, hangt er ook een zweem van tienerromantiek om hen heen.
Janek doet wat zoveel adolescenten doen. Hij rebelleert tegen autoriteit, bij voorkeur via muziek die buiten de lijntjes kleurt. Hij wil afstand nemen van zijn familie en rondhangen met vrienden. Lustgevoelens razen door zijn lijf… Tegelijk zoekt hij naar zelfontplooiing, geborgenheid en liefde. De film speelt echter in het communistische Polen aan het begin van de jaren tachtig, bij de opkomst van de Solidarność-beweging. Elk woord, elke daad, elke relatie wordt getekend door de maatschappelijke omwenteling die ophanden is. De prille relatie tussen Janek en Basia is een onmogelijke liefde, omdat – volgens een bekende formule – de beide families in verschillende kampen staan.
De vader van Basia is actief in het protest tegen de communistische overheid, Janeks vader is militair. Wanneer de staat van beleg wordt afgekondigd, komt alles nog meer onder druk te staan. Al blijft de filmer Jacek Borcuch, die de film baseerde op zijn eigen jeugd, niet steken in een zwart-witvoorstelling van de hoofdpersonages. Met gevoel voor lichte kleuren, schakelt hij vlotjes over van een losse handcamera naar een stabiele camera. Opruiende scènes met rechttoe rechtaan Poolse punkrock gaan naadloos over in intimistische scènes die bij herhaling worden begeleid door een pianothema van componist Daniel Bloom (broer van de regisseur).
Borcuch vindt de gemene deler tussen familiedrama, politiek commentaar en ‘coming of age’-verhaal. In tegenstelling tot de meeste punk wil All That I Love nauwelijks tegen de borst stoten. De vertolking van Mateusz Kosciukiewicz is wat dat betreft symptomatisch; zijn Janek is timide, met een neergeslagen blik, en ook al ventileert hij zijn frustraties krachtig en agressief, hij blijft begripvol en gevoelig. Ondanks enkele beelden uit het vaste arsenaal (rollebollen op het strand, in de lucht springen als teken van vrijheid, piekeren bij het water…), zorgt Borcuch voor voldoende oprechte emotie om de clichés te omzeilen. De punkslogan ‘no future’ vervangt hij door een schreeuw van hoop. Hoop op een nieuwe toekomst.